Actief of extreem weer hoort bij ons land tijdens de zomermaanden. We spreken niet alleen over 'extreem weer' wanneer het tot zware buien of storm komt, maar langdurige droogte of uitzonderlijk warme dagen vallen ook daaronder. Welke regio's krijgen hier gemiddeld het vaakst mee te maken?
Bijzondere weersomstandigheden komen in Nederland het meest voor tijdens de zogenaame 'primaire' seizoenen, ofwel zomer en winter. Hebben we 's winters geregeld met stormen of winterse neerslag te maken, komt het in juni, juli of augustus redelijk frequent tot (onweers)buien of juist langere tijd droogte. Ook extreme temperaturen behoren natuurlijk tot de mogelijkheden, iets wat in de winter tegenwoordig veel minder vaak meer gebeurt (naar de koude kant althans).
Het ontstaan van onweersbuien
Actieve regen- en onweersbuien ontstaan in het late voorjaar en tijdens de zomermaanden voornamelijk boven het warme vasteland van Europa. Het klassieke patroon is wanneer een zomerse dag wordt afgesloten met onweer, waarbij deze buien zich ergens kunnen ontwikkelen boven het noorden of noordwesten van Frankrijk en vervolgens met een zuidwestelijke stroming een deel van Nederland aandoen. Meestal zijn dit dan de warmste gebieden, ofwel de zuidoostelijke helft. Gemiddeld genomen komen de meeste onweersdagen in een jaar voor binnen een strook van Brabant naar Oost-Nederland, maar ook dagen met één of twee bliksemontladingen worden in deze statistieken al meegenomen. Momenten met zwaar onweer (zeer hoog aantal bliksemontladingen of heftige randverschijnselen zoals hagel en zware windstoten) treden het vaakst langs de oostgrens op.

Ver weg bij de relatief koude zee vandaan dus. Zomers ontwikkelde onweersbuien houden namelijk helemaal niet van koud zeewater. Ze halen hun voeding uit zeer warme lucht en aangezien het land overdag veel sneller opwarmt dan zeewater, zullen zulke buien zich vrijwel uitsluitend boven land voordoen. Richting de herfst hebben we vaker te maken met zogenaamde kustbuien in het westen, die hun voeding juist uit de warme zee halen. Dit zijn echter buien die zich in een koude (boven)lucht ontwikkelen en vanaf dat moment is er natuurlijk al geen sprake meer van langlevende, zomerse onweersbuien. Het gaat hier om een compleet ander soort onweer met vaak veel minder heftige verschijnselen.
Tornadoseizoen in Nederland?
Totrnado's of hoosverschijnselen zijn in Nederland altijd al relatief zeldzaam geweest. Ze komen jaarlijks wel een aantal keer ergens voor, maar zijn vaak kortdurend en zeer lokaal van aard. We kennen in Nederland dan ook zeker geen 'tornadoseizoen' zoals dat bijvoorbeeld in Amerima het geval is. Of zelfs in andere Europese landen.
Als je echter een periode moét aanwijzen waarin het voorkomen van kleine tornado's statistisch gezien groter is, dan komen er twee tijdvakken duidelijk naar voren. Dat is de periode juni - begin juli... en eind september - oktober. Dit zijn twee periodes waarin vaak sprake is van buienontwikkeling waarbij ook veel windschering aanwezig kan zijn. Windschering is simpel gezegd het verschil in windsnelheid tussen aardoppervlak en hogere delen van de atmosfeer. Bij veel windschering kunnen buien zich sterk ontwikkelen en is in extreme gevallen dus een tornado mogeijk. Regionalisering is lastig bij tornado's: het ligt er maar net aan waar de meest 'gunstige' omstandigheden zich in een bepaalde situatie voordoen.

Droogte en extreme hitte
Datzelfde geldt voor langdurige droogte. Omdat de kustgebieden tijdens het voorjaar en vroege zomer de droogste gebieden van Nederland zijn, zal het neerslagtekort daar statistisch gezien het snelst oplopen. Dat zagen we bijvoorbeeld ook afgelopen april en mei. Landinwaarts (met de hoogste temperaturen) ontstaan nog relatief vaak regen- en onweersbuien die de droogte beperken.

Toch hebben we recent voorbeelden gezien van zomers waarin het overal extreem droog was. Zoals 2018, 2020 en 2022. Tijdens deze zomers liep het neerslagtekort lokaal op tot ruim boven de 400 millimeter. Bomen en planten verloren hun blad, sproeien was niet meer toegestaan en mede door de droge bodem konden temperaturen veel sterker oplopen. Dit effect is zowel in de duinen aan zee als boven zandgronden in het oosten en zuidoosten altijd vrij sterk.








