Gletsjers ontstaan in koude berggebieden door ophoping van sneeuw. Een gletsjer heeft meestal een tongvormig uiterlijk. Als er in de winter meer sneeuw valt dan dat in de zomer smelt gaat de sneeuw zich opstapelen. Een gletsjer wordt gevormd wanneer dikke sneeuwlagen door hun eigen gewicht aan de onderkant tot ijs worden verdicht. Dat gaat in fasen. Sneeuw wordt eerst omgezet tot firn, een korrelige ijsmassa die gevormd wordt doordat sneeuwkristallen onder de toenemende druk van de bovenliggende lagen van vorm veranderen en zich herordenen. Onder invloed van sijpelend smeltwater kan dit proces sneller plaatsvinden. Later, en dus dieper in de gletsjer, vormt firn door de toenemende druk wit gletsjerijs. Tenslotte wordt het verdicht tot blauw gletsjerijs. Het ijs wordt door de enorme druk plastisch en kan onder invloed van de zwaartekracht langzaam bergafwaarts gaan stromen.

Klimatologische voorwaarden voor het ontstaan van gletsjers zijn voldoende neerslag en voldoende lage temperaturen. Deze omstandigheden doen zich voor in hooggebergten en in de poolgebieden.
Door de opwarming van de aarde zijn veel gletsjers afgesmolten. Waarnemingen laten zien dat in de afgelopen decennia gletsjers over de hele wereld zich hebben teruggetrokken. Ze hebben daarmee naar schatting 2 tot 5 centimeter bijgedragen aan de zeespiegelstijging.
Bron: KNMI