Föhn is een warme droge wind die vaak aan de noord- en zuidzijde van de Alpen optreedt. Ook in andere werelddelen treedt Föhn op als de lucht wordt gedwongen op te stijgen en dalen over een bergmassief. In de Alpen steekt de föhnwind meestal op aan de voorkant van een depressie die over Zuid-Frankrijk naar de Middellandse Zee trekt. Dan komt er een warme, vochtige wind uit het zuiden. Als deze aan de zuidkant van de gebergte komt, wordt de lucht gedwongen om te stijgen. Bij het stijgen van de lucht wordt het kouder. Koude lucht kan minder water vasthouden dan warme lucht, hierdoor vindt er condensatie plaats, er vormen wolken. Als de droger geworden lucht dan aan de noordkant van de bergen weer omlaag stroomt, wordt deze warmer.

Deze wind zorgt voor grote verschillen in temperatuur. Deze kan, onder de juiste omstandigheden, binnen enkele uren 10 tot 25 graden oplopen. Door een föhn wordt de lucht erg helder en kan je genieten van een prachtig uitzicht over de Alpen. De föhn verhoogt ook het lawinegevaar. Veel mensen krijgen bij een föhn last van verhoogde bloeddruk, hoofdpijn, spierpijn, slapeloze nachten en infrageluid. Het wordt gedacht dat deze fysieke effecten te maken hebben met de snelle drukverandering.
Ook in Limburg kan föhn ontstaan over het heuvellandschap. Dit heeft tot gevolg dat het bij een zuidelijke stroming toch wat zachter is in het zuidoosten van Nederland.
Bron: KNMI