Een anemometer is een instrument om de windsnelheid te meten. Er zijn verschillende soorten.
De cup anemometer is de meest gebruikte en bestaat uit drie -meestal net niet ronde- halve bollen, die met stangetjes aan een draaibare as zijn bevestigd. Doordat de wind op de holle zijde van de halve bollen meer kracht uitoefent dan op de bolle zijde zal het geheel gaan draaien. Uit de omwentelingssnelheid kan de snelheid van de wind worden afgeleid. Voor de windrichting wordt hierbij meestal een windvaan gebruikt.

Het schoepenrad wordt gebruikt om de luchtsnelheid in kanalen (mijngangen, airconditioning) of gebouwen te meten. Bij dit type heeft het molentje wieken in vleugelvorm of een wieltje met schoepen. De as loopt evenwijdig met de richting van de wind. Een gekoppelde dynamo zet de beweging om in elektrische spanning.
De Ultrasone anemometer berust op het principe dat de voortplantingssnelheid van geluid verandert met de windsnelheid. Tevens is de windrichting af te leiden en kunnen windstoten en pieken gemeten worden. Deze windsnelheidsmeter wordt vooral gebruikt om ook hele lage windsnelheden nauwkeurig te meten.
De Thermische anemometers bestaat uit twee verwarmde meetsensoren, die onderling constant in temperatuur verschillen. Door de langsstromende lucht koelen de sensoren af. De elektrische stroom die nodig is om het temperatuurverschil te onderhouden wordt gemeten en is een maat voor de luchtsnelheid. Dit type is vergelijkbaar met de klassieke hot-wire anemometer, waarbij de afkoeling een maat is voor de stroomsnelheid van de wind. De afkoeling beïnvloedt een temperatuurgevoelige weerstand in een schakeling, zodat de windsnelheid wordt omgezet in een spannings- of stroomverschil.
De Laser Doppler anemometers werken op basis van licht. Lichtverstrooiing door deeltjes in de stromende lucht kan ook gebruikt worden als maat voor de windsnelheid. Terugkerend licht heeft tweemaal een Doppler-efect ondergaan, waaruit de snelheid kan worden gevonden.
De pitotbuis bestaat uit een buis met zowel aan de voorkant een opening als aan de zijkant. Aan de voorkant wordt de dynamische druk gemeten en aan de zijkant de statische druk. Uit het verschil wordt de snelheid berekend. Vliegtuigen zijn uitgerust met een pitotbuis om de snelheid van de langsstromende lucht te meten. Ook in windtunnels wordt voor de meting van de stroomsnelheid deze methode gebruikt.
Bron: KNMI, Wikipedia